Voor de plaatsing van een kind bij pleegouders is een beslissing van de gemeente of van de rechter nodig. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het organiseren van de toegang tot jeugdhulp, waaronder ook pleegzorg. Zij kijken samen met ouders en hulpverleners welke ondersteuning nodig is en of pleegzorg daarbij passend is.
Wanneer ouders instemmen met de plaatsing, kan pleegzorg vrijwillig worden ingezet via de gemeente. Als ouders het niet eens zijn met de plaatsing, of als er zorgen zijn over de veiligheid of ontwikkeling van het kind, kan de kinderrechter erbij betrokken worden. De rechter beoordeelt dan of het noodzakelijk is dat het kind tijdelijk of langdurig ergens anders woont. In zo’n situatie kan bijvoorbeeld een ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing worden uitgesproken. Daarbij staat steeds het belang en de veiligheid van het kind centraal.
Vrijwillig of gedwongen?
Als je zelf hulp hebt gezocht en je stemt in met de plaatsing van je kind in een pleeggezin, noemen we dat een vrijwillige plaatsing. Beslist de kinderrechter dat je kind in een pleeggezin wordt geplaatst, dan noemen we dat een justitiële of gedwongen plaatsing. Er zijn twee soorten justitiële plaatsingen:
1. Ondertoezichtstelling
Bij ondertoezichtstelling (OTS) houden ouders het gezag, maar krijgen zij begeleiding van een Gecertificeerde Instelling, zoals Bureau Jeugdzorg Limburg. Een gezinsvoogd onderhoudt contact. Ouders zijn verplicht de aanwijzingen van de gezinsvoogd op te volgen. Op de website van de rijksoverheid vindt u verdere informatie over wat een ondertoezichtstelling inhoudt en welke rol de Raad voor de Kinderbescherming, de rechter en de Gecertificeerde Instelling daarbij spelen.
2. Gezagsbeëindigende maatregel
Bij een gezagsbeëindigende maatregel beslist de rechter dat ouders niet langer het gezag over hun kind hebben. De verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding wordt dan voor onbepaalde tijd aan iemand anders gegeven. De voogd kan bijvoorbeeld een pleegouder zijn, maar de voogd kan ook een jeugdbeschermingsorganisatie zijn.
Deze maatregel wordt alleen genomen als de rechter vindt dat een kind niet meer veilig of stabiel bij de ouders kan opgroeien, en terugkeer naar huis niet meer binnen een voor het kind aanvaardbare termijn mogelijk is. Een voogd neemt dan belangrijke beslissingen over het kind, bijvoorbeeld over de woonplek, school, hulpverlening en medische zorg. Als ouder blijf je wel de ouder van je kind, maar je hebt niet meer de wettelijke verantwoordelijkheid om deze beslissingen te nemen.
Hulpvraag
Als ouder kun je met een hulpvraag bij je gemeente terecht. Verschillende gemeenten organiseren dit op verschillende manieren. Veel gemeenten hebben een Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) of een wijkteam waarin verschillende jeugdorganisaties samenwerken. Een medewerker bekijkt in overleg met alle betrokkenen of pleegzorg de meest passende oplossing is. Vervolgens wordt bekeken welke vorm van pleegzorg nodig is. Bij voltijdpleegzorg woont een kind tijdelijk of voor langere tijd bij een pleeggezin. Bij deeltijdpleegzorg verblijft een kind alleen op bepaalde momenten bij pleegouders, bijvoorbeeld tijdens weekenden of vakanties. In deze fase kunnen ook familie en kennissen betrokken worden om te bespreken of zij opvang voor het kind kunnen bieden.
Keuze voor Pleegzorg
Wanneer is vastgesteld dat een plaatsing bij pleegouders de beste oplossing is, gaat Scoor Pleegzorg op zoek naar een geschikt pleeggezin. Daarbij wordt zorgvuldig bekeken of het pleeggezin past bij het kind, zijn of haar behoeften en de situatie. Wanneer er mogelijk een goede match is, wordt een kennismaking gepland. Tijdens deze kennismaking wordt bekeken of er van beide kanten een klik is en voldoende basis voor een goede samenwerking. Pas wanneer alle betrokkenen een goed gevoel hebben bij de match, worden verdere afspraken gemaakt over de plaatsing, het contact tussen de ouders en het kind, de begeleiding en de evaluatie. Scoor Pleegzorg begeleidt het volledige matchingsproces zorgvuldig en ondersteunt alle betrokkenen in iedere fase.

